Kaas, het boek waarmee de schrijver Willem Elsschot een decennium van stilte doorbrak, vertelt het verhaal van een tot mislukken gedoemde onderneming in de verkoop van volvette Edammer. Hoofdpersonage is Frans Laarmans, een brave huisvader en kantoorklerk, die als een rode draad door het oeuvre van Elsschot loopt en vaak als een alter ego van de schrijver beschouwd wordt. Voor heel wat elementen in het boek putte Elsschot uit zijn eigen ervaringen, zowel uit zijn familieleven als uit zijn professionele loopbaan. De eerste hoofdstukken, waarin de moeder van Laarmans sterft, zijn bijvoorbeeld een verwerking van de dood van zijn eigen moeder in 1926.

De eerste pagina van het handschrift van Kaas, februari 1933.
Elsschot schreef naar eigen zeggen het boek op twee weken tijd in februari 1933. Zijn archief gunt ons een blik op het wordingsproces van wat het meest vertaalde boek uit de Vlaamse literatuur zou worden. Het bewaarde handschrift is gedateerd 14 februari 1933: 77 bladzijden met talloze doorhalingen, verbeteringen en inlassingen. De indeling van de tekst in hoofdstukken wijkt nog af van de finale versie. Het typoscript is 1 maart 1933 gedateerd; een dag later las Elsschot in Antwerpen het verhaal voor aan een select clubje. Het archief laat toe om ook het verdere schrijfproces te documenteren. Op 18 maart 1933 voltooide Elsschot de inleiding op de novelle, die in juni in afleveringen in het tijdschrift Forum werd gepubliceerd en in oktober 1933 als boek op de markt kwam. Kaas kreeg zijn definitieve vorm bij de derde druk in 1942 toen Elsschot een extra hoofdstuk toevoegde. Handschrift en typoscript van dit ‘Hoofdstuk XV’ bleven bewaard in het literaire archief. Het handschrift van Kaas is ook opgenomen in de Vlaamse Topstukkenlijst.

Typoscript van 'hoofdstuk XV' van de novelle 'Kaas' van Willem Elsschot, 1941.
De versies van Kaas maken deel uit van het uitgebreide Elsschot-archief, gevormd dankzij talrijke schenkingen en een gezamenlijke aankoop van de Stad Antwerpen en de Vlaamse Gemeenschap in 2009. Interessant is dat het Elsschot-archief zowel een literair deel (inclusief een uitgebreide briefwisseling), als een zakelijk deel omvat. Alfons de Ridder, de echte naam van Willem Elsschot, werkte voor diverse bedrijven en had na de Eerste Wereldoorlog zijn eigen reclamebureau. Hij was bijvoorbeeld van 1908 tot 1911 handelscorrespondent bij Werf Gusto in Schiedam, het bedrijf dat model stond voor de General Marine and Shipbuilding Company uit Kaas. Het antwoord op Alfons de Ridders sollicitatie bij Gusto bleef in het archief bewaard. Het zakelijke archief bevat vooral financiële stukken, zakenbrieven, contracten en documenten over zijn werk in de reclame.

Brief van Henri Smulders (Werf Gusto) aan Alfons de Ridder, 22 oktober 1907.
Het literaire archief bestaat onder meer uit handschriften en typoscripten van gedichten en romans (onder andere van Villa des Roses, Lijmen/Het Been en Het dwaallicht), archiefstukken rond vertalingen en bewerkingen, recensies, lezingen en meer. De collectie Bastaens vormde in 2020 een interessante aanvulling op het archief met onder andere de handschriften van de gedichten ‘Borms’ en het iconische ‘Het huwelijk’, en het typoscript van Het tankschip.
Het Elsschot-archief werd in 2025 verder verrijkt met de collectie van Jan Maniewski, de eerste kleinzoon van Alfons de Ridder aan wie de auteur zijn novelle Tsjip opdroeg. Tsjip, soms beschouwd als de opvolger van Kaas, werd geschreven in 1933 en gepubliceerd in 1934. Tsjip en het uit 1940 daterende De Leeuwentemmer zijn sterk gebaseerd op het huwelijk en de echtscheiding van Elsschots dochter Adele en de Pool Bennek Maniewski. De collectie Maniewski laat toe om op basis van brieven, foto’s en andere originele documenten de waargebeurde verhalen uit Tsjip / De Leeuwentemmer te reconstrueren en de familieman Willem Elsschot te bestuderen. Het familiearchief van Maniewski bevat verder ook nog enkele handschriften van Elsschot en briefwisseling met onder meer zijn uitgevers, Louis Paul Boon en Herman Teirlinck.
Meer lezen?

Fotoalbum met foto’s van circa 1900 tot 1960 uit de collectie Maniewski. © Dries Luyten