Willem Elsschot en zijn autobiografische verhalen
Willem Elsschot, pseudoniem van Alfons de Ridder (1882-1960), was een van de bekendste en belangrijkste Vlaamse auteurs uit de 20ste eeuw. Hij haalde na enkele jaren op het Antwerpse Atheneum zijn diploma aan het Hooger Handelsgesticht in 1904. Hij werkte daarna op kantoren in Parijs (1907), Rotterdam (1908-1910) en Brussel en vestigde zich in 1914 te Antwerpen, waar hij na de Eerste Wereldoorlog aan het hoofd stond van een eigen reclamebureau. Hij had al op school belangstelling voor literatuur en behoorde in 1901 tot de jongerengroep rond het anarchistische blad Alvoorder.
De zakenman Frans Laarmans, Elsschots alter ego, uit de romans Lijmen (1923), Kaas (1933) en Het been (1938) treedt in de novelles Tsjip (1934) en De Leeuwentemmer (1940) als vader van vier kinderen en grootvader van ‘Tsjip’ naar voren. In die novelles wordt het verhaal verteld van het huwelijk van Frans’ dochter Adele de Ridder met de Poolse Bennek Maniewski. Gebaseerd op waargebeurde feiten, want ook in het echte leven trouwt Elsschots dochter Adele met de Poolse Bennek en wordt daaruit al snel een kleinzoon geboren: Jan ‘Tsjip’ Maniewski. Het huwelijk houdt echter geen stand en er ontstaat onenigheid over de toekomst van Tsjip.
Willem Elsschot als familieman
Het familiearchief dat nu aan het Letterenhuis is overgedragen, werd in eerste instantie door Adele de Ridder en haar tweede echtgenoot Georges Kelner verzameld en bewaard. Na hun overlijden werd haar zoon Jan Maniewski de nieuwe eigenaar. De afgelopen jaren kregen geïnteresseerden op vraag toegang tot het archief. Maar pas met de overdracht naar het Letterenhuis wordt het toegankelijk voor een breed publiek. Op basis van brieven en originele documenten is het mogelijk de familieman in Willem Elsschot te bestuderen én de waargebeurde verhalen van Tsjip en De Leeuwentemmer te reconstrueren. Uit verschillende brieven blijkt dat Elsschot een bezorgde en betrokken (groot)vader was die zijn dochter hielp bij de scheiding van haar eerste man en het terugbrengen van zijn kleinzoon die op dat moment in Polen bij zijn vader verblijft.

Brief van Alfons de Ridder aan zijn dochter Adele (1937) © Dries Luyten

Brief van Alfons de Ridder aan zijn dochter Adele (1939) © Dries Luyten

Dossier van de echtscheiding van Adele de Ridder © Dries Luyten

Brief van Alfons de Ridder aan zijn dochter Adele (1938) © Dries Luyten
Gij ziet dat gij in alle geval den kleinen zult zien. Maar pikken blijft voor mij het beste.
schrijft hij op 14 december 1938 in een brief aan dochter Adele de Ridder, waarin hij duidelijk maakt dat hij hoopt dat zijn kleinzoon wordt herenigd met zijn dochter
In een andere brief wordt opnieuw gesuggereerd kleinzoon Jan uit Polen weg te halen:
Ik ben bij advocaat Rotsaert geweest, die zegt dat in Danzig een proces kan begonnen worden. (...) Hij geeft den raad den kleine te gaan “halen” en als gij daartoe mocht besluiten ben ik bereid mede te gaan.
(brief van Alfons de Ridder/Willem Elsschot aan Adele de Ridder, 29 maart 1939)
Dat Adele, zoals gesuggereerd in de brief en net als in de novelle De Leeuwentemmer, effectief naar Polen gaat, maar daar haar zoon met mazelen aantreft, lezen we ook in een brief uit het archief. Ook dan biedt hij aan haar in Polen te komen helpen.
Ik hoef u zeker niet te zeggen met welke belangstelling – en tevens met welk verdriet – wij uwen brief gelezen hebben. Gij hebt waarlijk tegenslag. Zonder die stomme mazelen was alles misschien al in orde geweest. (...) Als wij van hieruit iets doen kunnen schrijf dan maar. Indien gij denkt dat het tot iets dienen kan ben ik ook bereid over te komen.
(brief van Alfons de Ridder/Willem Elsschot aan Adele de Ridder, 26 mei 1939)
Hij adviseert zijn dochter ook nog een advocaat en detective op te zoeken.
Informeer ook nog naar het adres van een detective en ga die spreken. Zulks voor het geval gij niet met den kleinen weg kunt. Dan zoudt gij later van zoo’n man nieuws kunnen krijgen wanneer het oogenblik geschikt is en desnoods terug kunnen keren.
(brief van Alfons de Ridder/Willem Elsschot aan Adele de Ridder, 26 mei 1939)
Zo ver komt het echter niet. Net zoals in De Leeuwentemmer slaagt Adele erin haar zoon op een onbewaakt moment mee te nemen naar België eens die genezen is van de mazelen.
Enkele andere hoogtepunten
Het is maar één van de verhalen die het familiearchief kan prijsgeven. Enkele andere hoogtepunten zijn de brieven van Willem Elsschot aan zijn echtgenote Fine, kinderen en kleinzoon Jan Maniewski, een fotoalbum met foto’s van circa 1900 tot 1960, correspondentie met onder meer Louis Paul Boon, Julia Tulkens, Herman Teirlinck en zijn uitgevers, het typoscript met correcties van Boniments, vertaling van Lijmen door Willem Elsschot en vertaalster Juliette Smits, de originele en zover bekend oudst bewaarde brief van Willem Elsschot Beminde Zusters (1899), een origineel handschrift van het gedicht Spijt (1934) en verschillende varianten van het gedicht Borms (1957).

Fotoalbum met foto's van circa 1900 tot 1960 © Dries Luyten

Oudst bekende brief van Willem Elsschot 'Beminde Zusters' (1899) © Dries Luyten

Verschillende varianten van het 'Borms'-gedicht © Dries Luyten

Brief van Alfons de Ridder aan zijn echtgenote Fine de Ridder © Dries Luyten
De komende maanden zal het Letterenhuis het archief nauwgezet verwerken en wordt dit stukje literatuurgeschiedenis toegankelijk gemaakt voor verder onderzoek. Het zakelijke en literaire archief van Willem Elsschot is vandaag al toegankelijk via het collectieplatform van het Letterenhuis: www.letterenhuis.be.