Maria Rosseels (Leonie Moreels)

‘Het is vreemd daaraan te denken, hoe schijnbaar toevallig alles is, maar hoe in feite de dingen toch geworden zijn’. (Brief van Maria Rosseels aan Blanka Gyselen, 24 mei 1957.)
Maria Rosseels heeft de geschiedenisboeken gehaald als feministisch schrijfster en journalist. Vanaf de jaren 1950 streed ze met haar pen voor de ontvoogding van de Vlaamse huisvrouw en stond ze bekend als openlijk twijfelende katholiek. Zo goed als alles wat over Rosseels geschreven werd, begint in het voorjaar van 1947. Toen begon ze op 30-jarige leeftijd als redacteur, reporter en filmrecensent bij het katholieke dagblad De Standaard en debuteerde ze met de jeugdroman Sterren in de poolnacht. Maar wat deed en schreef ze vóór haar officiële debuut? Dat is het aspect dat Leonie Moreels met de beurs van het CSVC wil onderzoeken. Het archief van Maria Rosseels in het Letterenhuis is het vertrekpunt voor haar onderzoek, dat haar de weg wijst naar andere archieven zoals een klooster in Schoten, het Rijksarchief in Beveren-Waas en het VRT-archief. Met haar onderzoek wil ze een leemte in het literair-historisch onderzoek invullen.
Raf Verhulst (Jan Załęcki)

Hoe keken mensen in het begin van de twintigste eeuw naar de middeleeuwen en wat deden ze met die oude verhalen? Dat is de centrale vraag in het onderzoek van Jan Załęcki naar Nederlandstalige toneel- en operabewerkingen van de Middelnederlandse literatuur uit de periode 1900-1945. De beurs van het CSVC gaf hem de kans dieper in te gaan op de libretti die toneelauteur Raf Verhulst (1866-1941) schreef. Hij greep meermaals terug op bekende figuren uit de Middelnederlandse literatuur. Hij bewerkte onder meer Reinaert de Vos (1903) en Marieke van Nijmegen (première 1925) voor opera en schreef een tekst voor een cantate over heer Halewijn. Het in de vergetelheid geraakte libretto voor Marieke van Nijmegen verdiende meer onderzoek. Naast de collectie van het Letterenhuis bleken ook de archieven van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen en Opera Ballet Vlaanderen interessant materiaal te bevatten. Uit de vergelijking van de libretti met hun middeleeuwse bronnen blijkt dat Verhulst de oude verhalen op een creatieve en vrije manier naar zijn hand zette. In Marieke neemt hij meer afstand van zijn brontekst: hij beperkt de religieuze boodschap aanzienlijk en maakt er een liefdesverhaal van. Opvallend is ook de sterke gelijkenis met Gounods toentertijd populaire opera Faust, wat erop wijst dat Verhulst bewust een internationaal herkenbaar voorbeeld gebruikte bij zijn bewerking. De resultaten van het onderzoek zullen in Spiegel der Letteren gepubliceerd worden.
Lucienne Stassaert (Kate Dejonckheere)

Lucienne Stassaert experimenteerde aan het begin van haar carrière met beschrijvingen van vrouwelijke fysieke ervaringen en metareflecties over de band tussen lichamelijkheid en schrijverschap. Expliciete en impliciete verwijzingen naar de baarmoeder en metaforen voor zwangerschap en menstruatie zijn duidelijk aanwezig in haar gepubliceerde oeuvre. De lichamelijkheid in haar oeuvre kreeg al heel wat aandacht, maar de specifieke thematiek van zwangerschap en menstruatie bleef grotendeels onderbelicht. In haar archiefonderzoek ging Kate Dejonckheere op zoek naar sporen van de literaire verbeelding en Stassaerts ervaring van de baarmoeder, menstruatie en zwangerschap binnen haar schrijverschap. Ze baseerde zich daarvoor op manuscripten, brieven en beschouwingen, met een bijzondere aandacht voor de eenakter Camera Moederhuis die een ironische blik op het moederhuis en op bevallingservaringen werpt.
De eerste resultaten van haar onderzoek werden gepresenteerd in de zesde editie van ‘De vitrine’ van het Letterenhuis.

