Ik was nog niet eerder in het archief van het Letterenhuis gedoken, tot ik materiaal kreeg doorgestuurd. Dat was heel interessant, omdat het vooral getuigenissen waren uit de psychiatrische instelling in Beernem, waar ik gewerkt heb. De verhalen lagen dicht bij het profiel van de jongeren waar ik zelf mee werk.

Jouw rol in het dorp-concept van Zuurvrij 50 is veldwachter, of wijkagent. Hoe heb je die rol ingevuld?
Ik heb geprobeerd om mijn eigen, eerder traumatische ervaringen met politie en justitie te combineren met een utopische visie van wat politie en justitie zouden kunnen zijn. Politie heeft de rol om te bestraffen, maar naar mijn mening moet de politie veel meer doen dan dat. Er moet een balans zijn tussen repressie en preventie. En die preventie bij de politie is eigenlijk een soort van indirecte vorm van sociaal werk. Maar in de realiteit is die balans vaak zoek.
Ik heb me hiervoor laten inspireren door Frank (het hoofdpersonage in het verhaal, n.v.d.r.), een echte rijkswachter die ik ken en die zowat de uitzondering op de regel was … niet de klassieke flik.
Is dat de stem die je wilde laten horen, vanuit jouw dorpsrol, het feit dat er een betere balans tussen repressie en preventie moet zijn?
Ja, klopt! Repressie is het klassieke verhaal. In de algemene volksgeest wordt politie toch vaker geassocieerd met bestraffing en met ‘schrik hebben van’, en is het spreukje De politie, uw vriend! soms ver zoek voor veel mensen.
Politie wordt betaald door de overheid, door belastinggeld en daarom vind ik dat ze ten dienste van de burger moet staan. Dat doen ze uiteraard, want er zijn mensen die bestraft moeten worden en dat moet blijven, maar het moet veel meer zijn dan dat. De politie moet ook in interactie staan met de gemeenschap. Niet enkel met het vingertje wijzen, maar ook echt in dialoog gaan en samen met de mensen aan een betere gemeenschap werken.
Op het eerste zicht lijkt het verhaal fictief te zijn, maar het is dus wel gebaseerd op echte personen en gebeurtenissen?
Ja, toch wel. Ik zal wat meer duiding geven. Ik kom uit een Gentse arbeidersbuurt, die nu wat gegentrificeerd wordt, en ik woonde in sociale woonblokken. Mijn ervaring met de politie, en die van de mensen waarmee ik opgroeide, was heel negatief. Wij waren eigenlijk een beetje getraumatiseerd door een aantal slechte ervaringen met de mensen van het corps en hadden echte haatgevoelens tegenover alles wat met de politie te maken had.
Pas rond mijn vijfentwintigste kreeg ik een meer genuanceerd beeld van de politie. Dankzij mensen zoals Frank heb ik mijn trauma, of misvatting over de politie, kunnen doorbreken. Ik besef nu dat er binnen het politiecorps niet enkel verzuurde flikken en racisten werken, maar ook agenten die echt mensen hélpen en ten dienste staan van de bevolking. Maar ik heb als jonge gast wel veel tijd nodig gehad om tot dat besef te komen.
In de eerste versie van het verhaal kwam mijn trauma erg naar boven en schepte ik een nogal negatief beeld van de politie. Diane (medewerker Letterenhuis en redacteur Zuurvrij, n.v.d.r.) wees me daarop en ze had daar gelijk in. Ik heb er dan meer balans in proberen te brengen. Ik heb mijn grootstedelijke ervaring geprojecteerd binnen die dorpscontext, maar vanuit een meer genuanceerde visie dan diegene die ik had toen ik jonger was.
Je kent, zoals je zelf zegt, de politie vooral van de andere kant. Hoe was het dan om nu eens in de huid van een agent te kruipen?
Awel, naast Frank heb ik ook vaak gesprekken met Erwin, een wijkagent die erg inzet op wijkpreventie en heel anders omgaat met de buurtbewoners dan de andere agenten. Die gesprekken met Frank en Erwin zijn superinteressant en openen mijn visie, en het is dankzij die gesprekken dat ik mij goed heb kunnen inleven in de rol van Frank.
Bijvoorbeeld het stukje waarin de vader van Saïd zegt: “Zie je deze lijnen op mijn handen? Er is hier geen toekomst voor ons.” Dat is letterlijk een quote van Frank, van mensen uit de buurt die hem dat gezegd hebben. Dat is bij mij blijven hangen.
Ik wou in het verhaal ook graag de stereotypes doorbreken. De helden zijn met opzet de personen met migratieroots, en de antihelden, de criminelen in dit geval, hebben geen migratieroots. En ook de jongen die vals beticht wordt van diefstal heeft Marokkaanse roots.
Laten we hopen dat Frank en Erwin het verhaal lezen en zich erin herkennen, en ook heel wat andere politieagenten.
Een heel andere vraag. Je bent aan de slag gegaan met archiefmateriaal van het Letterenhuis. Hoe was die ervaring?
Wel, ik zit zelf in het archief van het Letterenhuis! (lacht) Ik heb elf à twaalf jaar geleden bij jullie een slam poetry wedstrijd gewonnen, dus ik was er al geweest, ik kende het. Maar het archiefmateriaal zelf, daar was ik nog niet ingedoken, tot ik materiaal kreeg doorgestuurd van Diane.
Dat was heel interessant, omdat het vooral getuigenissen waren uit Beernem (Psychiatrisch Centrum Sint-Amandus, n.v.d.r.), waar ik gewerkt heb en de verhalen lagen dicht bij het profiel van de jongeren waar ik zelf mee werk.
Ik heb de stukken proberen te verwerken in het verhaal, vooral in die fiches (persoonlijke steekkaarten van Frank met informatie over dorpsbewoners, n.v.d.r.), maar ik wou mij ook niet te veel vastpinnen op het archiefmateriaal. Ik heb mij daar enigszins door laten inspireren vanuit de optiek van jongeren die iets mispeuteren; daar zit een heel verhaal achter, een sociologische realiteit. En dat aspect heb ik in het verhaal heb proberen te verwerken.
Dus je hebt het archiefmateriaal vooral als inspiratiebron gebruikt?
Ja. Ik had die mensen uit die brieven echt letterlijk een hoofdrol kunnen laten spelen in het verhaal, maar voor mij was dat meer een inspiratie voor de achterliggende gedachte van het verhaal.
Wat waren dan precies de stukken waar je het meest aan gehad hebt?
Ik vond de brieven die geschreven werden aan Dirk Bracke heel herkenbaar, heel mooi om te lezen. Die hebben mij het meest geïnspireerd.
We hebben het eerder al gehad over de stem die je wil laten horen vanuit je dorpsrol, maar wat wil je verder dat mensen zeker onthouden uit jouw bijdrage?
Wat wil ik dat mensen onthouden? Ik wil vooral dat het doet nadenken. Ik weet dat het verhaal misschien wat simplistisch is, er zit een beetje slapstick in en hyperbolen ook. Het is niet realistisch dat Frank plots binnenvalt in de verhoorkamer, bijvoorbeeld. Ik wilde vooral aantonen dat de politie ten dienste moet staan van de gemeenschap op meerdere vlakken, en ik wou stereotypes doorbreken.
Ik heb het verhaal niet per se geschreven met de gedachte van dit is de moraal, of dat moeten mensen onthouden. En ik heb geprobeerd om niet met het vingertje te wijzen.
Ik denk dat iedereen er zo wat zijn eigen moraal in gaat herkennen, of niet herkennen. En misschien komt er kritiek op, of vinden mensen het een bullshitverhaal. (lacht) En dat is oké, want dan hebben ze zich er ook door laten inspireren, op een andere manier.
Dat is tenslotte de bedoeling geweest van Dalilla toen ze het dorp-concept koos: mensen gesprekken laten voeren over bepaalde onderwerpen, al is het met zichzelf.
Dat is inderdaad ook mijn doel. Als het gesprekken kan openen, des te beter. Ik heb niet de absolute waarheid in pacht. Ook niet als het gaat over de politie ... Ik kan maar gewoon proberen om mijn visie in die tekst te steken en hopen dat het doet nadenken en praten.
Ik denk dat dat gelukt is! Bedankt voor dit fijne gesprek.

Uit het archief van Dirk Bracke
Hier komt meer uitleg over de archiefstukken op de foto (Yara en Peter).
Uit het artikel in Zuurvrij 50
Frank denkt aan de steekkaarten op zolder. Julie, Andy … volgens de procureur criminelen, volgens de socioloog statistieken en slachtoffers van hun omgeving en een systeem dat ongelijkheid reproduceert. Volgens beiden ‘de ander’, volgens Frank vooral ‘ons’, spiegeldragers die laten zien waar we als dorp falen in onze verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor elkaar.
Biografie
Fatih De Vos is Gentenaar, rapper, socioloog en sociaal-cultureel werker bij Voem.
In zijn werk combineert hij zijn liefde voor taal en hiphop met sociaal engagement, onder meer via workshops rond rap, spoken word en expressie voor jongeren.
