Overslaan en naar de inhoud gaan

Wie bewaart de geboorte?

Een brief uit het kraambed van Adèle de Ridder

Maud Vanwalleghem

In het Letterenhuis bevindt zich een uitzonderlijk document: een brief van 32 bladzijden uit 1933 waarin Adèle de Ridder haar bevalling in het Poolse Gdynia uitvoerig beschrijft. Als dochter van Willem Elsschot werd haar stem bewaard, maar haar relaas overstijgt het literaire toeval. De brief biedt een uitzonderlijke inkijk in de lichamelijke en emotionele realiteit van baren – een ervaring die zelden wordt gearchiveerd. Adèles woorden doorbreken de stilte rond bevallingservaringen en tonen tegelijk hoe weinig er sindsdien veranderd lijkt.

Adèle de Ridder en Bennek Maniewski tijdens een boottochtje in 1929. Adèle staart in het water. Bennek heeft zijn linkerarm rond haar middel geslagen.

Adèle de Ridder en Bennek Maniewski tijdens een boottochtje in 1929. Adèle staart in het water. Bennek heeft zijn linkerarm rond haar middel geslagen. 

23 februari 1933. Op de ramen van de kraamkliniek in het Poolse Gdynia vormen zich ijsrozen. Adèle voelt niets van de kou, integendeel. Ze is zonet bevallen van haar eerste kind, na meer dan een etmaal verzengende arbeid. De hitte gulpt nog uit haar openstaande lijf. De 24-jarige vrouw wordt op een ziekenhuisbed met wieltjes naar haar kamer gerold, haar man wil al meteen een telegram versturen naar de familie. 
Ik vraag eerst mijn zoon eens te mogen zien, want ik wist nog niet hoe hij er uit zag. Een verpleegster bracht hem en legde hem in mijn armen. Ik kon het echter niet gelooven dat het mijn kind, mijn zoon was. Iets ongelooflijks vind ik.

Het is een tedere, maar schijnbaar banale ervaring. Tot het jaar 1933 zijn in de geschiedenis van de mensheid al zo’n honderd miljard mensen geboren. Ook dit kind komt er nu bij. De bevalling zelf zou kunnen worden uitgewist, zoals dat vrijwel altijd het geval is, ware het niet dat deze jonge vrouw haar ervaring serieus neemt. Vijf dagen later, vanuit het kraambed, schrijft ze er een brief over aan haar moeder in België. ‘Liefste mama, eindelijk kom ik met den uitleg. […] Ik moet echter goed nadenken, want ik ben bijna alles al vergeten.’

Ook toen betaamde het een vrouw om haar bevallingservaring te minimaliseren. ‘Ik ben bijna alles al vergeten’ is een ingesleten formule, een sociaal aangeleerde relativering om de lichamelijkheid, en misschien wel de macht van het reproductieve te kunnen wegduwen. Terwijl geen enkele vrouw haar bevalling – en zeker de eerste niet – vergeet. Ondanks haar geveinsde vergeetachtigheid pent Adèle een gedetailleerd relaas neer, en als ik haar woorden lees, zie ik de kamer voor me. Ik ruik de bevalling haast, een kleine honderd jaar later: het zweet, het lichtzoete vruchtwater, de wasachtige vernix op de babyhuid. 

De brief is gericht aan Fine Scheurwegen, wonende in de Lemméstraat te Antwerpen. Haar dochter, Adèle de Ridder, was in 1932 getrouwd met een Poolse medestudent, Bennek Maniewski, en met hem verhuisd naar Gdynia, een havenstad iets ten noorden van Gdańsk. 

Dat in een literair archief weeën opduiken, echte baringspijnen, en niet de figuurlijke die met de geboorte van een creatief werk gepaard gaan, is uitzonderlijk. Wat de brief bijzonder maakt, is wat Adèles lichaam hier doet: spreken. In een literair archief verschijnt plots een stem die doorgaans ontbreekt, namelijk die van het barende lijf zelf. Dat net deze stem bewaard bleef, heeft echter minder met de inhoud van de brief te maken dan met toeval: Adèle is de dochter van Alfons de Ridder, beter bekend als Willem Elsschot. Het eerste kleinkind van het echtpaar Elsschot vormde de  inspiratie voor Elsschots novelles Tsjip (1934) en De leeuwentemmer (1939). De brief is niet voor Adèles vader bestemd, zoveel is duidelijk. Hij is voor niemand anders bestemd dan voor haar moeder Fine. 
’t Is onnoodig dat ik u dat alles zeg hé ma, gij weet wat het is, en als ge dat zelf nooit doorgemaakt hebt kunt ge u daar onmogelijk een gedacht van geven. Ik weet dat ik heel dikwijls op je geroepen heb en als de moed me ontbrak en ik me liet gaan dan zei ik steeds tot mezelf en zeggen dat mama dat zesmaal doorgebeten heeft, en misschien nog veel meer hare peere gezien!

Adèle kijkt me streng aan vanop haar pasfoto, alsof ik haar honderd jaar na haar bevalling nog kan verraden door haar brief publiek te maken. Of zou ze het goed vinden zo? 

Alle schrijvers werden geboren, en velen onder hen brachten zelf kinderen ter wereld. Maar over arbeid en bevalling, het vleselijke, bloederige, splijtende, extatische ervan, lees je nauwelijks iets. Dat heeft vermoedelijk vooral te maken met het feit dat baren een vrouwelijke aangelegenheid is; zo aards en blijkbaar vanzelfsprekend dat het niet de moeite is om geboortepraktijken te koesteren en te archiveren. 

Het gevolg is dat er weinig kennisoverdracht is over wat een bevalling inhoudt en over de variërende culturele en medische praktijken door de tijd heen. Ook Adèle zelf hunkert naar meer informatie, zo blijkt uit een vervolgbrief. ‘[…] omdat bij mij alles nog niet in orde is, o.a. dat ik nog altijd tamelijk veel bloed verlies. Ik zou dat misschien van binnen moeten spoelen? Laat me dat ook eens dadelijk weten he ma […].’

Deel van de brief van Adèle de Ridder aan haar moeder over de bevalling van haar zoon Jan Maniewski

Deel van Adèle de Ridders brief, geschreven te Gdynia op dinsdag 28 februari 1933, aan haar moeder Fine (Josephine Schuerwegen), waarin ze vertelt over haar bevalling van Jan Maniewski.

Deel van de brief van Adèle de Ridder aan haar moeder over de bevalling van haar zoon Jan Maniewski

Vervolg van de brief van Adèle de Ridder aan haar moeder Fine.

Fragment van de brief van Adèle de Ridder aan haar moeder, met een schets van baby Jan Maniewski.

Baby Jan Maniewski getekend door Adèle in de brief van 28 februari 1933 aan haar moeder.

Ik ga ervan uit dat Adèle, net als de doorsnee vrouw anno 2026, nog nooit een bevalling had meegemaakt voor ze zelf beviel. Daardoor blijft een van de meest universele en diepmenselijke ervaringen iets wat ons simpelweg overkomt op het moment dat we baren. Zo ontstaat vervreemding van het geboorteproces en het eigen lichaam. ‘[…] want het is heel zoo triestig in een vreemde kliniek, ik zou het nooit meer doen, ’t is de eerste en de laatste maal’, schrijft de jonge vrouw. 

Adèle moet de vroedvrouw verwittigen wanneer haar weeën om de vijf minuten opkomen. Er is ruimte voor verwondering over wat haar lichaam doet: ‘De alle kwartieren waren dan al juist “alle tien minuten” geworden, maar zo juist ma! Ik weet niet of ge dat ooit hebt nagegaan.’ Vier uur later is dat het geval en wordt Adèle naar een operatiezaal gebracht. Bennek mag niet mee. ‘We hebben dan afscheid genomen, aangedaan als voor een lange, lange reis.’

Wat Adèle daarna in zeer klare taal omschrijft, getuigt van de bizarre maar algemeen aanvaarde omstandigheden waarin ze moet bevallen:
Om twaalf uur juist lag ik in die operatiezaal op een hoog hard bed, met een heel klein kopkussentje. Iets zoo ongemakkelijk heb ik nog nooit gezien. […] Op dat smerig bed heb ik de verschrikkelijkste uren doorgebracht die men zoo in zijn leven al doorbrengen kan. […] Die lamme teef van een accoucheuse had zich in een warm deken gewikkeld, en zich naast me in een fauteuil gezet. Daar was het wezen in slaap gevallen. Ik zette anders al serieus mijn keelgat open zene, maar dat stoorde haar niet. Alle half uren trok ze eens een oog open, kwam eens zien, en sliep terug in. Geenen mensch om me eens te laten drinken of mijn gezicht eens op te frisschen. Een terribel miserie.

Adèle vraagt de vroedvrouw of het nog lang zal duren. Die kijkt op haar horloge, denkt eens na en zegt ‘nog een uur of twee’, vooraleer ze opnieuw in slaap valt. ‘Om vier uur nog niets. De lamme bakel sliep hoe langer hoe vaster, ik denk dat mijn gebrul haar in slaap wiegde.’ Adèle kronkelt op het harde bed, haar ontreddering is voelbaar. 
Ik had compassie met mijn eigen, en voelde me toch zoo ongelukkig, zoo moederziel alleen, geen mensch om eens een enkel woordje te zeggen, mijn zweet eens af te kuisschen, niets. Zijt gij ooit alleen geweest ma? Ik weet nu wat het is.

De bevalling stagneert. Adèle dringt er bij de vroedvrouw op aan om de dokter te bellen, ‘wat ze niet graag deed want zo verliest haar tusschenkomst in voornaamheid hé’. Wat volgt balanceert alweer tussen algemene aanvaarding, totale verbazing en overlevering:
Om twintig na zessen was den dokter er. Hij is naast me komen staan, vroeg me hoelang ik hier zoo al lag. Van twaalf uur. Direct heeft hij iets in mijne bil gespoten, oogenblikkelijk, waarschijnlijk morfine. Zonder uitleg een kask [casque] op mijn gezicht en mij wat bedwelmd met ether. Niet veel, genoeg om weer wat op te knappen zonder de pijn te doen verdwijnen. Ik voelde dan wat minder maar nog steeds genoeg om het noodige mee te helpen. Dien was zoo lief met me, echt zene ma, dat is raar voor een dokter geloof ik. Hij stond achter me, en hield steeds mijn gezicht tusschen zijn twee handen. Bij iedere kries een paar druppeltjes ether, steeds vragende of ik zoo de pijn beter kon uitstaan. ’t Werd zeven uur, half acht. ’t Zwart kopje was een klein beetje vooruitgekomen, de moeite niet. Dan begon een gesprek tussen dokter en accoucheuse die tot conclusie kwamen dat ze me moesten chloroformeeren want dat dit nog lang kon duren. Den dokter verliet dan dat zaaltje om iets te gaan halen, ’t was dan misschien kwart voor acht. De accoucheuse zei me ‘probeer nog eens, nu zonder ether’… Ik denk dat de pijn op dat oogenblik zijn toppunt bereikt had. Tot in de toppen van mijn vingeren voelde ik tintelingen, en de eene kramp op de andere in billen en beenen, terribel. Dat een mens daar allemaal tegen kan hé! Ik zei in mijn eigen nu wil ik dat hij komt, maar zoo vast overtuigd dat ik zonder een kreet die laatste kries doorbracht. Een, twee, drie en wip… daar was hij.

Heel de ervaring is gedrenkt in ambiguïteit. Dit is hoe een bevalling eraan toegaat – maar is dat wel zo? Moet dat zo zijn? Adèle lijkt te beseffen op welke punten het anders had moeten lopen, want bij momenten zijn de omstandigheden onmenselijk. Tegelijk lijkt ze die te aanvaarden. Honderd jaar later lijkt er op dat vlak niet zoveel veranderd te zijn. De uitkomst, een gezonde baby, is het allerbelangrijkste. De bevallingservaring, het proces, lijkt irrelevant en wordt uitgewist. Maar niet hier: Adèles neergepende lichamelijkheid wordt een opslagplaats. Niet alleen van pijn en uitputting, maar ook van kennis die zelden wordt doorgegeven. Misschien is dat wat de brief hier doet, tussen manuscripten en literaire nalatenschappen: ruimte maken. Niet omdat Adèle de dochter van een schrijver is, maar omdát ze schrijft, en zo een lichaam laat spreken dat in archieven zelden een plaats krijgt. 

Binnenzijde van de reispas van Adèle de Ridder met op de rechterpagina haar pasfoto en op de linkerpagina haar persoonsbeschrijving.

Reispas van Adèle de Ridder met haar pasfoto

Een foto van Adèle de Ridder, haar man Bennek en vermoedelijk Benneks zus Barbara op het strand in 1932. Ze zitten op een rijtje naast elkaar in het zand en kijken naar de camera.

V.r.n.l.: Bennek, Adèle en (vermoedelijk) Benneks zus Barbara 'Basha' Maniewska op het strand, 1932. Adèle was toen wellicht al heel pril zwanger.

Maud Vanwalleghem is schrijver, freelance politiek adviseur en voormalig senator. Haar column verschijnt tweewekelijks in De Standaard. Daarnaast adviseert ze middenveldorganisaties over het vergroten van hun politieke impact. Ze studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Gent en Arabische studies in Madrid. Ze werkte in de ngo-wereld, het Europees Parlement en was directeur van de Liga voor Mensenrechten.

6- 2026

Meld je aan voor de nieuwsbrief