Vroege publicaties en de mythe van de ‘oude debutant’
Willem van Zadelhoff is vijfenveertig wanneer hij in 2003 debuteert met Een stoel. Maar de stempel oude debutant, die hij door een Studio Brusselpresentator krijgt opgeplakt, zit hem niet lekker. In Deus Ex Machina reageert hij daarop met de tekst ‘Altijd vijftien’. Niet onterecht, want al in 1973, op zijn vijftiende, publiceert het tijdschrift Kruispunt-Summier zijn gedicht ‘Want’. Willem van Zadelhoff blikt terug op zijn eerste gepubliceerde gedicht: ’Ik was heel tevreden over dat gedicht. In de bibliotheek had ik allemaal literaire tijdschriften verzameld en alle redactieadressen opgeschreven. Er zat er eentje bij van Kruispunt-Summier. Dat was een beetje een smoezelig blaadje, dus ik dacht: die willen mijn gedicht misschien wel hebben. Tot mijn verbazing wilden ze het inderdaad publiceren. Ze waren zelfs heel positief. Ze dachten dat ik tien jaar ouder was en ze vergeleken mijn gedicht met het werk van Simon Vinkenoog. Dat laatste was niet zo vreemd, want tijdens een lenteviering op school had Simon Vinkenoog opgetreden. Daarna heb ik ook voor het eerst een stickie gerookt. Waarschijnlijk ben ik onder invloed daarvan, en van wat ik van Vinkenoog had gehoord, naar huis gegaan en heb ik dat gedicht in één ruk geschreven.
Een tijd lang was ik er niet trots op. Daarom heb ik al die tijdschriften die ik had gekregen weggegooid. Dat beschrijf ik ook in ‘Altijd vijftien’. Op een gegeven moment kwam ik op Het Andere Boek [een Antwerps alternatief boekenfestival, red.], waar een standje van Kruispunt-Summier stond. Ik vertelde daar dat Kruispunt-Summier een gedicht van mij had gepubliceerd toen ik vijftien was, maar dat ik mijn exemplaren had weggegooid. Die man zei dat zijn hele garage vol stond met oude nummers. Een paar dagen later stuurde hij me een aantal exemplaren van het tijdschriftnummer op waarin mijn gedicht stond. Toen ik het herlas, vond ik het eigenlijk niet slecht.’
Schrijver in wording: experimenten en eerste romanideeën
Begin jaren negentig begint Willem van Zadelhoff te experimenteren met het schrijven van een roman: ‘Ik heb in die tijd heel veel geprobeerd. 'Verstrooiing' was het eerste. Die titel kwam voort uit een soort gedachte van de 17de-eeuwse filosoof Pascal. Ik heb het toen wel opgestuurd naar uitgeverijen, maar gelukkig hebben ze het niet gepubliceerd. Het waren allemaal vingeroefeningen. Ik wist nog niet goed waar ik over wilde schrijven. Op een bepaald moment dacht ik: ik moet nu een pas op de plaats maken. Toen heb ik al die dingen weggelegd.’
Van ‘Verstrooiing’ is er in het archief slechts één typoscript te vinden uit 1994. Het omvat een verhaal over een kunstzinnige vriendengroep die ook terugkomt in de vele versies van een ongepubliceerde verhalenbundel met als titel ‘De bijl’. ‘En 'De bijl' komt eigenlijk weer terug in mijn roman Vuur stelen, waarin het hoofdpersonage zijn demente moeder met een bijl uit haar lijden verlost. Die thema’s zaten er van in het begin al in, maar het lukte me niet om ze een plek te geven die aan mijn verwachtingen voldeed.’
Architectuur als terugkerende inspiratie in de romans
Uiteindelijk slaagt Willem van Zadelhoff erin om een roman te schrijven die wél aan zijn verwachtingen voldoet: Een stoel verschijnt in 2003 bij Meulenhoff/Manteau. In de roman geeft de familie Kats de Bauhaus-architecten Marcel Breuer en Mart Stam de opdracht om een villa te ontwerpen die ‘een paradijs van licht en lucht’ moet worden. De inspiratie voor het verhaal vond van Zadelhoff in het huis van een vriendin: ‘Ik zat te wachten tot zij klaar was om te vertrekken en bladerde ondertussen in een boek met een foto van zo’n achterpootloze stoel ontworpen door Breuer. Even later stond diezelfde stoel er weer in dat boek, maar volgens het ontwerp van Mart Stam. Toen dacht ik: daar ga ik een verhaal over schrijven. En voor het eerst ben ik eigenlijk heel onbelast beginnen te schrijven. Toen ik aan pagina twintig zat, had ik het gevoel: ik ben niet klaar, ik ben net begonnen.’
Architectuur en design spelen niet alleen een belangrijke rol in Een stoel, maar keren ook in andere romans terug. Zo speelt in Holle haven (2006) architect Viktor Vonk een belangrijke rol, en in Ga niet weg (2010) reist Robert Kats naar Berlijn voor een exemplaar van het boek over de geschiedenis van de achterpootloze buisstoel. Waar die fascinatie vandaan komt, is voor Willem van Zadelhoff zelf niet helemaal duidelijk: ‘Ik weet niet waar mijn fascinatie voor architectuur vandaan komt. Ik weet wel dat ik als kind al huizen en plattegronden tekende. Architectuur heeft te maken met ordening en daar word ik rustig van. Ik kan niet tegen chaos. Tijdens de lockdown hadden we bij de SchrijversAcademie heel veel Zoomvergaderingen en sommige mensen hadden op de achtergrond drie boekenkasten van verschillende hoogtes. Daar stonden dan bananendozen op met troep erin. Ik kon gewoon niet meer naar hen luisteren, ik zat alleen maar naar die achtergrond te kijken. Ik word ook altijd heel rustig als ik in Amsterdam ben. Daar heb je van die interbellumwijken met heel mooi ritmisch geplaatste blokken, allemaal in dezelfde architectuur.’
Dat architectuur zo’n belangrijke rol speelt in het werk van Willem van Zadelhoff, is niet los te zien van een ander terugkerend thema: de Tweede Wereldoorlog en de heropbouw die daarop volgde. In Holle haven beleeft architect Viktor Vonk in zijn jeugd de verwoestende Slag om Arnhem, waarna de stad opnieuw wordt opgebouwd. Voor Vonk is dat ook een reden om zelf architect te worden. In het archief van Willem van Zadelhoff zitten, tussen de documentatie voor Holle haven, ook brieven uit de Tweede Wereldoorlog van familie: Annie en Henk van Zadelhoff. Over die brieven vertelt hij: ‘Henk is een neef van mijn vader. Annie was een nicht van mijn moeder. Die brieven beschreven de Hongerwinter en het moment wanneer Arnhem werd geëvacueerd. Annie en Henk zaten ergens in de buurt van Ede. Mijn grootouders zaten met mijn vader en zijn broers in Elspeet. Ze schreven elkaar brieven waarin ze het dagdagelijkse leven tijdens die evacuatie beschreven. Ze zaten met z'n vijven in een heel klein bakhuisje te wachten tot ze terug naar hun stad konden. Dat bakhuisje komt vaker voor in een aantal van mijn boeken. Het wordt bijna een soort symbool. Ik behoor tot een generatie die de oorlog niet heeft meegemaakt, maar soms kreeg ik het idee dat ik hem toch heb meegemaakt, want er hoefden maar wat familieleden bij elkaar te komen en het ging altijd weer over die oorlog.’
Verweven verhalen en familiegeschiedenis
De romans Vuur stelen (2008) en De nachten van Hofman (2015) spelen zich af in de theaterwereld en lijken daardoor minder verwant aan de architectuurromans van Willem van Zadelhoff. Toch zijn ook die boeken nauw met de rest van zijn oeuvre verbonden: ‘Mijn boeken zijn eigenlijk één groot werk. Zelfs afwijkende boeken als Vuur stelen of De nachten van Hofman. Ook daar komen uiteindelijk weer personages in voor die te maken hebben met personages uit die eerste drie boeken. Zelfs Een graf in de wolken gaat over een dochter van de meneer Kats uit die eerste drie boeken. Zij wordt in die boeken helemaal niet vermeld. In Een graf in de wolken blijkt waarom ze niet genoemd wordt: na de oorlog werd ze ervan beschuldigd iets met een Duitser te hebben gehad.’
In het archief zijn ook verschillende versies te vinden van een roman met de titel ‘Plumeau!’. Hoewel die roman nooit werd uitgegeven, keren elementen eruit wel terug in Een graf in de wolken en in het nog onuitgegeven vervolg ‘Zwarte melk’. Daarover vertelt Willem van Zadelhoff: ‘Mijn vader was een wat vreemde man en droeg een geheim met zich mee. Hij heeft me ooit wel eens verteld dat er iets in zijn jeugd was gebeurd, maar dat het te erg was om erover te praten. Hij is gestorven en heeft mij met dat raadsel achtergelaten. Dat heb ik proberen in te vullen in “Plumeau!”. Toen zat ik nog bij Atlas Contact en op een gegeven moment zei mijn redacteur, Sander Blom: “Je probeert een boek over de zoon te schrijven, maar volgens mij gaat het over de vader.” En daar had hij eigenlijk gelijk in. Toen ben ik Een graf in de wolken beginnen te schrijven, het verhaal over die vader. Het vervolg daarop, “Zwarte melk”, is eigenlijk “Plumeau!”, maar dan in een heel andere vorm. Dat kind uit “Plumeau!” is in “Zwarte melk” een kind geworden van twee ouders die allebei traumatische ervaringen hebben meegemaakt en die een kind van een Duitser opvoeden zonder hem iets van hun trauma mee te willen geven. We gaan hem blanco opvoeden, maar dat lukt uiteindelijk niet.’
De titel van ‘Plumeau!’ vloeit voort uit een persoonlijke anekdote: ‘Mijn vader beweerde altijd dat ik als jongetje van vier met hem in een warenhuis in Arnhem was, en dat daar de beeldhouwer Ossip Zadkine rondliep met een plumeau in zijn hand. De wereldberoemde beeldhouwer Ossip Zadkine. En dat hij mij met die plumeau in het gezicht had gekieteld. Later dacht ik: wat doet Ossip Zadkine in een warenhuis in Arnhem? Maar wat mij verbaasde: ik liep ooit op het Spui in Amsterdam rond op een tweedehandsboekenmarkt en wat vond ik daar? Een catalogus van Zadkine van een tentoonstelling in het Gemeentemuseum Arnhem in 1962. Dus het kan wel. Misschien is het echt gebeurd. Die plumeau geeft de vader in de roman dan het idee dat die aanraking een teken is dat zijn zoon voor grote dingen is uitverkoren. En dat gaat ook weer over de onbetrouwbaarheid van het geheugen. In Na de dagen is dat ook zo: dat gaat over herinneringen die totaal niet synchroon lopen.’
