
Recensie van de Noorse vertaling van Tavi (1937)
Dat Valère Depauw zou opgroeien tot een franskiljonse textielfabrikant stond in de sterren geschreven. In 1912 werd hij geboren in een Ronsische familie van textielproducenten. Thuis sprak de familie Depauw Frans en het Ronsische dialect. Ook op school kwam Depauw vooral met de Franse taal in contact. Als lid van de Franstalige katholieke turnclub van Ronse stapte hij, negen jaar oud, zelfs mee in de optocht tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Op zijn vijftiende verliet hij de schoolbanken om in de leer te gaan bij zijn vader. Vier jaar later nam Depauw diens textielfabriek over.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De jonge Depauw sloot zich aan bij de Christen Volksbond, een christelijke arbeidersbeweging met Vlaamse idealen. Toen de toneelgroep van de Christen Volksbond ,‘Voor Taal en Volk,’ in de financiële problemen kwam, besloot Depauw om een revue te schrijven: Tavi, over een Pallieter-achtige dorpsfiguur. Dit vormde een springplank naar zijn carrière als schrijver. In 1937 publiceerde hij zijn debuutroman Tavi, gebaseerd op het eerdergenoemde toneelstuk. De roman werd al snel in meerdere talen vertaald; onder meer een Noorse recensie in zijn archief getuigt van de verspreiding ervan.
Via de Christen Volksbond leerde Depauw Leo Vindevogel kennen, een overtuigd flamingant en katholiek die later politicus werd en tijdens de Tweede Wereldoorlog zou eindigen als collaborateur. Vindevogel was een belangrijk persoon in Depauws leven, wat duidelijk tot uiting komt in de briefwisseling van laatstgenoemde. Aan Ernest Claes schrijft Depauw dat Vindevogel zijn beste vriend was. Ook vermeldt hij aan Norbert d’Hulst dat zijn roman De dood met de kogel (1952) hem het dierbaarst is van al zijn werken. De roman gaat over het proces van Leo Vindevogel, die werd vervolgd naar aanleiding van zijn burgermeesterschap van Ronse tijdens de Tweede Wereldoorlog en die na de oorlog wegens collaboratie werd terechtgesteld. In 1992 verscheen een nieuwe editie van De dood met de kogel ter gelegenheid van Depauws tachtigste verjaardag . Naast manuscripten van de eerste versie is in Depauws archief ook een uitnodiging voor de voorstelling van deze latere editie bewaard.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Valère Depauw een jaar als krijgsgevangene opgesloten in het Stalag van Gneixendorf, gelegen bij het Oostenrijkse Krems aan de Donau. Deze ervaring verwerkte hij in Triptiek van heimwee en berusting (1948, met een nieuwe editie in 1963), waarvan een manuscriptversie bewaard is in zijn archief, naast een kopie van zijn ontslagbewijs als krijgsgevangene in 1940. Het boek bundelt de eerder afzonderlijk verschenen novellen Offergang (1944), Kerstvisioen in het Stalag (1943) en Een man keert terug (1944).

Manuscript van De dood met de kogel (1952)

Citaat uit de roman Breiz Atao (1962) op het voorblad van een nummer van het tijdschrift Dietsland Europa

Eindwerk over de romantrilogie De uiterste hoeksteen (1985)
Door zijn journalistieke betrokkenheid bij De Gazet, het Antwerpse dagblad van DeVlag, verschenen van 31 augustus 1943 tot 4 september 1944, werd hij na de oorlog veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens collaboratie. Tijdens zijn internering schreef hij uit financiële noodzaak vele liefdesromannetjes onder een waaier aan pseudoniemen, zoals Claudine Lagarde, Peter Pann, René Solitaire, enzovoort.
Depauws eerste grote werk na de Tweede Wereldoorlog is een romantrilogie, De geschiedenis van Mathias Wieringer, over de weefnijverheid. Het bestaat uit Het lied van de oude getouwen (1946), Niet versagen, Mathias! (1947) en De zege van het verzaken (1949). De streekroman speelt zich af in de context van de textielnijverheid te Ronse. Zijn archief bevat niet alleen manuscripten, maar ook pentekeningen en prenten van Eugeen Hermans als illustraties voor deze werken.
Als Vlaams-nationalist zette Depauw zich in voor de Vlaamse taal en cultuur. Daardoor voelde hij zich erg verbonden met andere minderheidsgroepen in Europa. Dit zien we in romans als Breiz Atao (1962), dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de nationalistische bewegingen in Bretagne en Opdracht in Guernica (1964), dat Baskenland als decor kent. Ook in zijn briefwisseling valt dit op, evenals in een lezing die hij ooit gaf over de Basken.
Naast zijn werk als schrijver volgde Valère Depauw een journalistieke loopbaan. Hij was onder andere hoofdredacteur van het weekblad Panorama. Zijn kaart van beroepsjournalist is bewaard in het archief.
Depauws historische interesse komt uitgesproken naar voren in de romantrilogie De uiterste hoeksteen (1985), met als hoofdpersonage een edelvrouw gebaseerd op de dertiende-eeuwse historische figuur Sibyllie van Gaege, die het klooster in ging. De cyclus bestaat uit Bijwijlen lief, bijwijlen leed (1981), Ik ben zo wijd (1982) en Bevrijd van alle nood (1984). De manuscripten, typoscripten en door Depauw geraadpleegde artikels en het overige verzamelde werkmateriaal getuigen van het schrijfproces van dit omvangrijke werk.
Naast zijn eigen manuscripten en typoscripten zijn ook vele artikels die over Depauw en zijn werken geschreven zijn, bijvoorbeeld in het tijdschrift Dietsland Europa, opgenomen in het archief. Ook bewaarde hij een heel aantal vertalingen in het Duits en het Frans. De contracten met uitgeverijen tonen trouwens aan dat Breiz Atao (1962) en Opdracht in Guernica (1964) bijvoorbeeld ook in het Welsh verschenen zijn.
Na een rijkgevuld leven overlijdt Valère Depauw in 1994 op 82-jarige leeftijd. Zijn archief is raadpleegbaar in de leeszaal na toestemming van de erfgenamen.

Kaart van beroepsjournalist

Uitnodiging voor een lezing over de Basken

Vertalingen, verschenen in Duitse kranten en tijdschriften

