Auguste Debedts
Marie Antheunis-Conscience met haar zoontje Hendrik, 1872.
‘Mieken, nu wensch ik u eenen gelukkigen feestdag. Het spijt mij dat ik verpligt ben geweest hem u op voorhand te geven, want dat is toch hetzelfde niet.’
Dat schreef Maria Peinen, de vrouw van schrijver Hendrik Conscience, aan hun dochter Marie op 15 augustus 1872. Lang voor de kerkelijke feestdag van Maria-Tenhemelopneming het feest van alle moeders werd in Antwerpen (dankzij een promotiecampagne van schepen Frans van Kuyck in 1913), was het al de naamdag van alle Maria’s. En dat moest worden gevierd met een cadeautje.
Dat kon moeder jammer genoeg niet op de dag zelf geven, want Marie woonde te ver weg. Ze verbleef in het West-Vlaamse Torhout, om precies te zijn, waar haar man, de dichter Gentil Antheunis, vrederechter was. Marie was al sinds haar zestiende smoorverliefd op de twaalf jaar oudere dichter. Zij schreef hem liefdesbrieven (in het Frans!) en waagde zich ook aan (bloemrijke) gedichten. Op 10 augustus 1870, twee dagen vóór haar achttiende verjaardag, trouwde ze met Antheunis. Negen maanden later, op 23 mei 1871, beviel ze van hun eerste kind.
Een jonge moeder, alleen met haar huishouden
‘Ritje’ (Hendrik of Henri) werd de oogappel van bonpapa Conscience, maar voor zijn tienerdochter was het een zware bevalling geweest. Haar tweede kind, Bertha, kwam pas drie jaar later, in 1874, op de wereld, met Karel als hekkensluiter in 1876. Het huishouden was een hele klus voor de piepjonge Marie. ‘Ik hoop dat gij algauw eene andere meid zult vinden,’ verzuchtte haar moeder in dezelfde brief van augustus 1872, ‘want zoo gansch alleen moet gij het niet gemakkelijk hebben’.
Bonmaman Maria van haar kant rouwde om het lege nest in Elsene, waar ze met haar man, die naast een gevierd schrijver ook museumconservator was, inwoonde in het Wiertzmuseum. Van haar vijf kinderen waren er vier jong gestorven, en nu was de vijfde uitgevlogen. Marie moest in haar jeugd het verlies verwerken van een zus en twee broers. Haar jongere zusje Clara stierf aan de kroep toen Marie nog geen vijf was (haar oudere zus Machteld had ze nooit gekend). Haar broers, Hild(evert) en Hendrik, bezweken beiden aan tyfus in 1869. Dat verlies een plek geven deed ze met gedichten en met een sprookje (‘Het Roosje’), geschreven met de literaire hulp van haar vader.

Briefje van de zesjarige Marie Conscience aan een vriendinnetje, 1858.
Zonder nieuws ben ik altijd tristig en ongelukkig
De Consciences bezochten elkaar zo vaak als het kon, al viel dat met de drukke agenda van bonpapa niet altijd makkelijk te organiseren. Brieven schrijven dan maar! ‘Vrouw Conscience, uw moeder‘ klom soms tot twee keer per dag in haar pen, maar kreeg van Marie minder brieven terug dan haar lief was. ‘Mieken, gij moogd mij nooyt niet lang zonder nieuws laten want dan ben ik altijd tristig en ongelukkig en dit is niet noodig als het anders kan zyn,’ vermaande ze dochterlief op 23 september 1873.
Niet alleen gingen nieuwtjes en hartenkreten per brief heen en weer; er pendelde ook een reiskoffer op en neer. Vanuit het ‘dorpse’ Torhout werd boerenboter, West-Vlaams kantwerk en … vuil wasgoed met de trein naar de hoofdstad verzonden. Gewassen en verstelde kleren, een nieuw setje ondergoed voor Marie en een cadeautje voor Ritje reisden in dezelfde koffer terug.
De brieven van Maria Peinen aan haar dochter maken deel uit van een verzameling van ruim 340 brieven gericht aan of geschreven door Marie Conscience. Ze worden bewaard in het Letterenhuis en zijn nu geïnventariseerd op ons collectieplatform. Binnenkort kunnen ze daar ook digitaal worden geraadpleegd.
Een leven gevat in brieven
De correspondentie beslaat een heel mensenleven: van een kattebelletje uit 1858 van de zesjarige Marie aan een vriendinnetje om te komen spelen tot een ambtelijke brief van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten uit 1922 over haar schrijverssubsidie, het jaar van haar overlijden.
Daartussen ontvouwt zich een privéleven met smachtende liefdesbrieven van Marie aan Antheunis, bezorgde brieven van haar ouders over haar postnatale depressie en haar huwelijksproblemen, en bedroefde brieven van Marie die haar jonge kinderen miste nadat het koppel in 1878 uiteenging (maar zich het jaar daarop herenigde). Later schreef Marie aan haar eigen dochter Bertha, die op pensionaat ging, op haar beurt trouwde en haar man naar Zuid-Afrika volgde.
Marie Conscience als auteur en promotor
Een ander deel van de brieven en handschriften in het archief van Marie Conscience belicht haar publieke leven, als auteur van gedichten en verhalen, als redacteur en als beheerder van de literaire nalatenschap van haar vader. Ze voltooide en publiceerde een onafgewerkt gebleven roman van Hendrik Conscience (De duivel uit het Slangenbosch, niet zijn beste werk) en een kortverhaal van hem (‘Oom Jan’). In 1912 publiceerde ze – ter gelegenheid van de feestelijkheden bij de honderdste verjaardag van zijn geboorte – een biografie van haar vader (waarin echter niet alle informatie even betrouwbaar blijkt).
Een overzicht van het archief van Marie Antheunis-Conscience vind je op het collectieplatform.

Het gezin Antheunis-Conscience, ca. 1888. V.l.n.r.: Moeder Marie Antheunis-Conscience, dochter Bertha Antheunis, grootmoeder Maria Conscience-Peinen, zoon Karel Antheunis, zoon Hendrik Antheunis en vader Gentil Antheunis.